Entrainer
Les parcours
Tout ce que les six applications entraînent, dans l’ordre où elles l’entraînent. Cette page n’est pas une description mais un relevé : il provient des mêmes fichiers que ceux où les applications puisent leurs questions.
{aantal, plural, one {L’application elle-même est} other {Les applications elles-mêmes sont}} pour l’instant en néerlandais — les noms ci-dessous sont ceux que l’enfant voit à l’écran.
calcul mental
Maths
115 niveaux · 174 blocs · 2 060 faits
Getalbegrip
- 1PlaatswaardeWelk cijfer staat op welke plek, en wat is het dan waard.
- Waarde van een cijfer
- Getallen opbouwen
- Waarde van een cijfer: grote getallen
- Waarde van een cijfer achter de komma
- 2Getallen lezen en schrijvenVan woorden naar cijfers, en van cijfers naar woorden.
- Getallen in cijfers schrijven
- Getallen in woorden schrijven
- 3De getallenlijnAflezen waar de pijl staat, en zelf een getal op de lijn zetten.
- Getallenlijn aflezen
- Op de getallenlijn zetten
- 4Vleksommen en stipsommenHet ontbrekende getal onder de vlek vinden bij plus, min en keer.
- Vleksommen met plus
- Vleksommen met min
- Vleksommen met keer
- 5AfrondenOp tien, honderd en duizend, en op decimalen.
- Afronden op tien, honderd, duizend
- Afronden op decimalen
- 6Volgorde en negatieve getallenWelke bewerking eerst, en rekenen voorbij de nul.
- Volgorde van bewerkingen
- Negatieve getallen: plus en min
- Negatieve getallen: keer en delen
- 7Deelbaarheid en priemgetallenDeelbaarheidskenmerken en getallen met precies twee delers.
- Deelbaarheidskenmerken
- Priemgetallen tot 100
Plus & min
- 1Tot tienVrienden van tien, splitsen, terugrekenen, en plus en min tot tien.
- Vrienden van tien
- Splitsen tot tien
- Terugrekenen tot tien
- Plus tot tien
- Min tot tien
- 2SplitshuisjesSplitsen tot 10 en tienergetallen in het splitsschema.
- Splitshuisjes tot 10
- Splitshuisjes en tienergetallen
- 3Dubbelen en helftenHet dubbele, bijna-dubbel, en de helft terug.
- Dubbelen en helften
- 4Tot twintigTien en nog wat, en plus en min tot twintig binnen het tiental.
- Splitsen tot twintig
- Plus tot twintig
- Min tot twintig
- 5Het rekenrekKralen tellen en sommen maken met de 5- en 10-structuur.
- Rekenrek tot 10
- Rekenrek tot 20
- 6BussommenInstappen en uitstappen: optellen en aftrekken met de bus.
- Bussommen: instappen
- Bussommen: uitstappen
- 7VerdwijnsommenAlles of bijna alles eraf trekken: uitkomst 0 of 1.
- Verdwijnsommen en bijna-verdwijnsommen
- 8Over de tienDe grote stap: plus en min over het tiental heen, tot twintig.
- Plus over de tien
- Min over de tien
- 9Tot honderdSprongen van tien, en plus en min binnen het tiental.
- Sprongen van tien en één
- Plus tot honderd
- Min tot honderd
- Aanvullen tot een tiental
- 10Handig rekenenAanvullen tot 100 en 1000, rekenen met 9, 19, 29 en met 25 en 50.
- Aanvullen tot honderd
- Handig rekenen met 9, 19, 29
- Aanvullen tot duizend
- Rekenen met 25 en 50
- 11Over het tientalPlus en min over het tiental, met eenheden: 76 + 8.
- Plus over het tiental
- Min over het tiental
- 12Tientallen én eenhedenDe stap erna: 56 + 28 en 76 − 28.
- Plus met tientallen én eenheden
- Min met tientallen én eenheden
- 13Tot duizendPlus en min tot duizend, en zien wanneer doortellen korter is.
- Plus tot duizend
- Min tot duizend
- Verschil: doortellen
- 14Grote getallenPlus en min met getallen boven de duizend.
- Plus met grote getallen
- Min met grote getallen
Keer & delen
- 1Tafels 1, 2, 5 en 101, 2, 10 en 5 — de eerste tafels door elkaar.
- Tafel van 1
- Tafel van 2
- Tafel van 10
- Tafel van 5
- 2Tafels 3, 4 en 6De tafels van 3, 4 en 6 door elkaar.
- Tafel van 3
- Tafel van 4
- Tafel van 6
- 3Tafels 7, 8 en 9De tafels van 7, 8 en 9 door elkaar.
- Tafel van 7
- Tafel van 8
- Tafel van 9
- 4Alle tafelsAlle tafels van 1 tot en met 10 door elkaar.
- Tafel van 1
- Tafel van 2
- Tafel van 10
- Tafel van 5
- Tafel van 3
- Tafel van 4
- Tafel van 6
- Tafel van 7
- Tafel van 8
- Tafel van 9
- 5Deeltafels 2, 5 en 10Delen door 2, 10 en 5 door elkaar.
- Deeltafel van 2
- Deeltafel van 10
- Deeltafel van 5
- 6Deeltafels 3, 4 en 6Delen door 3, 4 en 6 door elkaar.
- Deeltafel van 3
- Deeltafel van 4
- Deeltafel van 6
- 7Deeltafels 7, 8 en 9Delen door 7, 8 en 9 door elkaar.
- Deeltafel van 7
- Deeltafel van 8
- Deeltafel van 9
- 8Alle deeltafelsAlle deeltafels van 2 tot en met 10 door elkaar.
- Deeltafel van 2
- Deeltafel van 10
- Deeltafel van 5
- Deeltafel van 3
- Deeltafel van 4
- Deeltafel van 6
- Deeltafel van 7
- Deeltafel van 8
- Deeltafel van 9
- 9Keer én delen door elkaarAlle tafels en deeltafels, in één rij door elkaar.
- Tafel van 1
- Tafel van 2
- Tafel van 10
- Tafel van 5
- Tafel van 3
- Tafel van 4
- Tafel van 6
- Tafel van 7
- Tafel van 8
- Tafel van 9
- Deeltafel van 2
- Deeltafel van 10
- +7
- 10Tafel van 1Gericht oefenen op de tafel van 1.
- Tafel van 1
- 11Tafel van 2Gericht oefenen op de tafel van 2.
- Tafel van 2
- 12Tafel van 3Gericht oefenen op de tafel van 3.
- Tafel van 3
- 13Tafel van 4Gericht oefenen op de tafel van 4.
- Tafel van 4
- 14Tafel van 5Gericht oefenen op de tafel van 5.
- Tafel van 5
- 15Tafel van 6Gericht oefenen op de tafel van 6.
- Tafel van 6
- 16Tafel van 7Gericht oefenen op de tafel van 7.
- Tafel van 7
- 17Tafel van 8Gericht oefenen op de tafel van 8.
- Tafel van 8
- 18Tafel van 9Gericht oefenen op de tafel van 9.
- Tafel van 9
- 19Tafel van 10Gericht oefenen op de tafel van 10.
- Tafel van 10
- 20Deeltafel van 2Gericht oefenen op de deeltafel van 2.
- Deeltafel van 2
- 21Deeltafel van 3Gericht oefenen op de deeltafel van 3.
- Deeltafel van 3
- 22Deeltafel van 4Gericht oefenen op de deeltafel van 4.
- Deeltafel van 4
- 23Deeltafel van 5Gericht oefenen op de deeltafel van 5.
- Deeltafel van 5
- 24Deeltafel van 6Gericht oefenen op de deeltafel van 6.
- Deeltafel van 6
- 25Deeltafel van 7Gericht oefenen op de deeltafel van 7.
- Deeltafel van 7
- 26Deeltafel van 8Gericht oefenen op de deeltafel van 8.
- Deeltafel van 8
- 27Deeltafel van 9Gericht oefenen op de deeltafel van 9.
- Deeltafel van 9
- 28Deeltafel van 10Gericht oefenen op de deeltafel van 10.
- Deeltafel van 10
- 29Keer een groter getalSplits het getal in tientallen en eenheden: 3 × 67 is 180 + 21.
- Keer een groter getal
- 30Grote tafelsDe tafels van 11, 12, 20, 25 en 50.
- Grote tafels
- 31TientaltafelsKeer met tientallen en honderdtallen: 3 × 60, 100 × 14.
- Tientaltafels
- 32De denkwolk en handig vermenigvuldigenSommen met nullen via de kleine som, en halveren en verdubbelen.
- Sommen met nullen en de denkwolk
- Halveren en verdubbelen
- 33Keer en delen door 10, 100, 1000Nullen erbij en eraf, en bij kommagetallen de komma schuiven.
- Keer en delen door 10, 100, 1000
- Kommagetallen × en : 10, 100, 1000
- 34Verder met delenDelen met tientallen, delen door te splitsen, en delen met rest.
- Delen met tientallen
- Delen door te splitsen
- Delen met rest
Cijferen
- 1Cijferend optellen en aftrekkenDe som onder elkaar, met onthouden en lenen.
- Cijferend optellen
- Cijferend aftrekken
- Cijferend keer één cijfer
- 2Cijferend keer en de staartdelingTwee regels onder elkaar, en de deling hap voor hap.
- Cijferend vermenigvuldigen
- Kommagetallen onder elkaar
- Cijferend keer met grote getallen
- De staartdeling
- 3Staartdeling door twee cijfersDelen door 12, 15, 24: met een rijtje van de deler.
- Staartdeling door twee cijfers
Wat gebeurt er in het verhaal?
- 1Erbij, eraf, keer of delenLees een kort verhaal en kies wat er gebeurt.
- Wat gebeurt er in het verhaal?
Plus & min in een verhaal
- 1Verhaalsommen: plus en minEen som die in een verhaal verstopt zit. Lees, zoek de getallen, zoek het woord.
- Verhaalsommen: plus en min
Keer & delen in een verhaal
- 1Verhaalsommen: keer en delenPer stuk, in elke doos, verdeeld over — en dan uitrekenen.
- Verhaalsommen: keer en delen
- 2Verhaalsommen in twee stappenEerst het totaal uitrekenen, dan pas de vraag beantwoorden.
- Verhaalsommen in twee stappen
Meten in een verhaal
- 1Verhaalsommen met matenMeters naar centimeters, kilo naar gram — de maattrap in een verhaal.
- Verhaalsommen met maten
Geld en tijd in een verhaal
- 1Verhaalsommen met geldWat kost het samen, en hoeveel krijg je terug?
- Verhaalsommen met geld
- 2Verhaalsommen met tijdHoe lang duurt het samen, en hoeveel blijft er over?
- Verhaalsommen met tijd
Verhoudingen in een verhaal
- 1Verhaalsommen met verhoudingenPer kilometer, per stuk — van één naar veel en weer terug.
- Verhaalsommen met verhoudingen
Breuken
- 1Breuken herkennenWelk deel is gekleurd? Je schrijft de breuk zelf op.
- Breuken benoemen
- 2Breuken op de getallenlijnEen breuk aflezen, en van een deel terug naar het geheel.
- Breuken op de getallenlijn
- Van een deel naar het geheel
- 3Breukenstroken vergelijkenBreuken visueel vergelijken en zien welk deel groter is.
- Breukenstroken vergelijken
- 4Deel van een geheelDe helft, een kwart, een tiende — van een getal.
- Breuken benoemen
- Deel van een geheel
- 5Breuken vereenvoudigen, optellen en aftrekken2/4 is 1/2, 7/4 is 1¾, en 1/4 + 2/4 is 3/4.
- Breuken vereenvoudigen
- Helen eruit halen
- Breuken optellen
- Breuken aftrekken
- 6Breuken keer, gedeeld en gelijknamigOngelijke noemers gelijk maken, en breuken keer en gedeeld door elkaar.
- Breuken met ongelijke noemers
- Breuken vermenigvuldigen
- Delen door een breuk
Procenten
- 1Breuk en procentEen half is 50%, een kwart is 25% — dezelfde strook.
- Breuk als procent
- Breuk als kommagetal
- 2Procent berekenenHoeveel procent is het, en procent als kommagetal.
- Procent en kommagetal
- Hoeveel procent is het?
- 3Procent van een getal10% van 60, 25% van 40 — via tien procent.
- Procent van een getal
- 4Korting berekenenZet 100, 50, 25 en 10 procent op een rij, en zoek het gevraagde bij elkaar.
- Korting berekenen
- 5Btw en kortingspercentageHoeveel procent korting, en de prijs met btw.
- Hoeveel procent korting?
- Btw en procent erbij
Kommagetallen
- 1KommagetallenPlus, min en keer met tienden en honderdsten.
- Kommagetallen plus en min
- Kommagetallen keer
- 2Kommagetallen afrondenWelk cijfer staat achter de komma, en afronden op decimalen.
- Waarde van een cijfer achter de komma
- Afronden op decimalen
Verhoudingen vergelijken
- 1De viersprongSchakelen tussen verhouding, breuk, kommagetal en percentage.
- De viersprong: breuk, decimaal en procent
- 2Verhoudingen vergelijkenHetzelfde stuk, groter geschreven: 2 op 3 is ook 6 op 9.
- Verhoudingen vergelijken
- 3De verhoudingstabelInvullen met tussenstappen, met en zonder verhaal, en de prijs per kilo.
- De verhoudingstabel invullen
- Verhaalsommen met een verhoudingstabel
- Prijs per kilo
- 4Schaal en snelheidSchaal op de kaart, afstand en tijd, en m/s omrekenen naar km/uur.
- Schaal op de kaart
- Snelheid, afstand en tijd
- m/s en km/uur
- 5Breuk, procent en kommagetal1 van de 4 is 1/4 is 0,25 is 25% — steeds dezelfde hoeveelheid.
- Breuk, procent, kommagetal
Lengte
- 1LengtematenVan meters naar centimeters en terug — de trap op en af.
- Lengtematen
- 2Welke maat past hierbij?Is een deur 2 meter of 2 millimeter? Maatgevoel, vóór het omrekenen.
- Welke maat past hierbij?
Inhoud & gewicht
- 1Inhoud en gewichtLiters en grammen: dezelfde trap, andere namen.
- Inhoudsmaten
- Gewichtsmaten
Geld
- 1Geld neerleggenWelke munten en briefjes samen een bedrag maken.
- Geld neerleggen
- 2Rekenen met bedragenBedragen bij elkaar, en een prijs keer een aantal.
- Bedragen optellen
- Prijs keer aantal
- 3TeruggevenWat je terugkrijgt van 5, 10, 20 en 50.
- Teruggeven van 5 en 10
- Teruggeven van 20 en 50
Klok & tijd
- 1KlokkijkenHele en halve uren, en de kwartieren.
- Klok: hele en halve uren
- Klok zetten: hele en halve uren
- Klok: kwartieren
- Klok zetten: kwartieren
- 2De klok op de minuutVijf over half, tien voor drie — de klok op de minuut.
- Klok: hele en halve uren
- Klok zetten: hele en halve uren
- Klok: kwartieren
- Klok zetten: kwartieren
- Klok: op de minuut
- Klok zetten: op de minuut
- 3Hoe lang duurt hetVan het ene tijdstip naar het andere — hoeveel minuten zit daartussen.
- Hoe lang duurt het
- Hoe lang duurt het, op de minuut
- 4Eeuwen, jaren, weken en secondenElke tijdstap heeft zijn eigen maat — en de maanden erbij.
- Tijd omrekenen
- De maanden van het jaar
- 5Tijd met een kommaVan 2,5 uur naar minuten, en terug.
- Tijd met een komma
- 6De 24-uursklokOp het station staat 19:00 en op je pols zeven uur. Hoe je van de een naar de ander komt.
- De 24-uursklok
Meetkunde
- 1Grafieken en bouwselsStaafdiagrammen aflezen en kubusbouwsels tellen.
- Staafdiagram aflezen
- Blokkenbouwsels tellen
- 2Omtrek en oppervlakteHoe lang is de lijn eromheen, en hoeveel vierkantjes passen erop?
- Omtrek van een rechthoek
- Oppervlakte van een rechthoek
- 3Driehoek en inhoudDe helft van een rechthoek, en hoeveel kubusjes er in een balk passen.
- Oppervlakte van een driehoek
- Inhoud van een balk
- 4De cirkelOmtrek en oppervlakte met π — en het verschil tussen die twee.
- Omtrek van een cirkel
- Oppervlakte van een cirkel
- 5Vierkante en kubieke matenBij m² stap je met honderd tegelijk, bij m³ met duizend. En 1 dm³ is 1 liter.
- Vierkante maten
- Kubieke maten
- 6Hectare en areOppervlakte in hectare, are en vierkante meter.
- Hectare, are en m²
Verrijkingsstof
- 1Buurgetallen en ronde getallenHet getal net ervoor en net erna, en het ronde tiental en honderdtal.
- Buurgetallen en ronde getallen
- 2SommenfamiliesVier sommen bij een splitsing: twee plussommen en twee minsommen.
- Sommenfamilies
- 3TafelstrategieënHerhaald optellen naar keer, en steunsommen van 5× en 10× met 1× meer of minder.
- Herhaald optellen naar keer
- Tafelstrategie: 1× meer en 1× minder
- 4Romeinse cijfersI, V, X, L, C, D en M omrekenen naar gewone getallen.
- Romeinse cijfers
- 5Kwadraten, wortels en machtenGetallen in het kwadraat, worteltrekken en derde machten.
- Kwadraten, wortels en machten
- 6Ontbinden in priemfactorenEen getal schrijven als vermenigvuldiging van priemgetallen.
- Ontbinden in priemfactoren
- 7Breuk aanvullen tot een heleHoeveel ontbreekt er om de breuk heel te maken.
- Breuk aanvullen tot 1
- 8Het gemiddeldeAlle getallen optellen en delen door het aantal getallen.
- Het gemiddelde berekenen
- 9TijdzonesVroeger naar het westen en later naar het oosten over de wereld.
- Tijdzones en wereldtijd
- 10Valuta en wisselkoersenEuro omrekenen naar dollars, ponden en andere munten.
- Wisselkoersen omrekenen
- 11Combinaties tellenHet aantal mogelijke keuzes berekenen met vermenigvuldigen.
- Combinaties tellen
- 12Oude prijs terugrekenenVan de actieprijs met korting terugrekenen naar 100%.
- Oude prijs terugrekenen
Alles
- 1De hele leerlijnVan vrienden van tien tot delen met rest — alles.
- Vrienden van tien
- Splitsen tot tien
- Splitshuisjes tot 10
- Splitshuisjes en tienergetallen
- Buurgetallen en ronde getallen
- Sommenfamilies
- Splitsen tot twintig
- Terugrekenen tot tien
- Plus tot tien
- Rekenrek tot 10
- Rekenrek tot 20
- Bussommen: instappen
- +162
orthographe
Spelling
53 niveaux · 59 blocs · 2 360 faits
Hakken en luisteren
- 1Woorden die je kunt horenHak het woord in klanken en schrijf op wat je hoort. Voor wie net begint.
- Hak het woord in klanken
- Ng of nk?
- Aai, ooi of oei?
- Eer, oor of eur?
- Eeuw, ieuw of uw?
- 2Dagen, maanden en seizoenenDagen en maanden schrijf je met een kleine letter: januari, woensdag, herfst.
- Kalender- en tijdwoorden
Kort of lang
- 1Kort of langBomen of bommen: één medeklinker of twee, afhankelijk van de klank.
- Eén of twee medeklinkers?
Verkleinwoorden
- 1VerkleinwoordenHuisje, boompje, mannetje: welke staart hoort bij welk woord?
- Verkleinwoorden: -je, -tje of -pje
- Verkleinwoorden: -etje of -kje
- 2Verkleinwoorden met -jeHuisje, boompje, raampje.
- Verkleinwoorden: -je, -tje of -pje
- 3Verkleinwoorden met -etjeMannetje, sterretje, balletje.
- Verkleinwoorden: -etje of -kje
Verlengen
- 1Maak het woord langerHand of hant, snelheid of snelheit: verleng het woord en je hoort het.
- Eindigt het op d of t?
- Eindigt het op b of p?
- Eindigt het op f of v, s of z?
- Eindigt het op -heid?
- 2Eindletters d en tVerleng het woord om te horen of het d of t is: hond/honden.
- Eindigt het op d of t?
- 3Eindletters b en pVerleng het woord om te horen of het b of p is: krab/krabben.
- Eindigt het op b of p?
Voorvoegsels
- 1Be-, ge-, ver- en ont-De doffe klank vooraan schrijf je met een e. Altijd.
- Be-, ge-, ver- of ont-?
Meervoud
- 1Meervoud: 's en tremaAuto's met een apostrof, zeeën met twee puntjes — allebei om verkeerd lezen te voorkomen.
- Meervoud met 's
- Het trema
- 2Meervoud met 'sAuto's, paraplu's, foto's: apostrof om de lange klank te houden.
- Meervoud met 's
- 3Meervoud met tremaZeeën, knieën, reeën: puntjes om de klinkers te scheiden.
- Het trema
- 4Onbeklemtoonde meervoudenKlemtoon vooraan: perziken, haviken, monniken (geen verdubbeling).
- Meervoud met onbeklemtoonde slotlettergreep
- 5Meervoud met trema (-ieën, -eeën)Klemtoon op ie geeft -eën (knieën), ervoor geeft -iën (bacteriën).
- Meervoud met trema: -ieën of -eeën
Samenstellingen
- 1Twee woorden aan elkaarPannenkoek, stationsplein, zee-egel: wat komt er tussen die twee woorden?
- Samenstellingen met tussen-n
- Samenstellingen met tussen-s
- Het koppelteken
- 2Tussen-n in samenstellingenPannenkoek, bessenstruik: wanneer komt er een -n tussen?
- Samenstellingen met tussen-n
- 3Tussen-s in samenstellingenDorpsstraat, stationsplein: luister of je de -s hoort.
- Samenstellingen met tussen-s
- 4Samenstellingen met tussen-eAlleen een e en geen n bij unieke woorden of versteende vormen: zonnebloem, maneschijn.
- Samenstellingen met tussen-e
- 5Samenstellingen en koppeltekensAan elkaar vast, tenzij klinkers botsen: voetbalveld, auto-ongeluk.
- Samenstellingen en koppeltekens
Klanken die hetzelfde klinken
- 1Ei of ij, au of ouKlanken die precies hetzelfde klinken. Hier helpt geen regel, alleen kijken.
- Ei of ij?
- Au of ou?
- 2Korte ei of lange ijOnthoud de ei-woorden: trein, reis, kei.
- Ei of ij?
- 3At-au of ot-ouOnthoud de au-woorden: pauw, blauw, auto.
- Au of ou?
- 4Cht of gtHet licht en hij ligt: een ding of een werkwoord, en dat scheelt een letter.
- Cht of gt?
- 5G of chLachen of laggen: precies dezelfde klank, twee schrijfwijzen.
- G of ch?
- 6Klankgelijke weetwoorden (homofonen)Pijl en boog of waterpeil; steil of stijl. Let altijd op de betekenis.
- Klankgelijke weetwoorden (homofonen)
Uit een andere taal
- 1Woorden uit een andere taalDe c van cirkel, de -tie van politie, de g van garage: kijken en onthouden.
- De c: als s of als k?
- De i die als ie klinkt
- Eindigt het op -tie?
- Woorden uit een andere taal
- De Griekse y
- 2Woorden met een xJe hoort ks, maar schrijft een x: taxi, mixer, extra, examen.
- Woorden met een x
- 3Woorden met thJe hoort een t, maar schrijft th: thuis, thee, thema, theater.
- Woorden met th
- 4Woorden op -age en -teitJe hoort aazje, schrijft -age. Kwaliteit en activiteit eindigen op een t.
- Uitgangen -age en -teit
- 5Franse uitgangen -eau en -airCadeau en bureau met -eau; militair en populair met -air.
- Franse leenwoorden: -eau en -air
- 6Klassieke uitgangen (-iaal, -ueel, -ium)Hoor de afzonderlijke klinkers: museum, aquarium, actueel, ideaal.
- Klassieke uitgangen: -iaal, -ueel, -ium
Doffe staarten
- 1Staarten die dof klinken-ig of -lijk, en -isch dat als "ies" klinkt.
- -ig of -lijk?
- Eindigt het op -isch?
- 2Staarten met -te, -de of -enHoogte of hoogde, wollen of wolle: staarten die je nauwelijks hoort.
- Woorden op -eren, -elen of -enen
- Eindigt het op -te of -de?
- Waar is het van gemaakt?
- 3Woorden op -ingJe hoort -ing en schrijft altijd -ing: wandeling, vereniging, oplossing.
- Achtervoegsel -ing
Klanken die er niet staan
- 1Klanken die er niet staanJe zegt "wurum" en "bavijaan" — maar die u en die j schrijf je niet.
- De klank die je hoort maar niet schrijft
- De j en de w die je niet schrijft
Werkwoordregels
- 1Tegenwoordige tijdDe ik-vorm, de hij-vorm met -t, de dt-regel en jij achter het werkwoord.
- Tegenwoordige tijd: ik-vorm
- Tegenwoordige tijd: hij, zij, het
- De dt-regel
- Jij achter het werkwoord
- 2De ik-vorm (stam)De stam van het werkwoord in de tegenwoordige tijd: ik loop, ik werk.
- Tegenwoordige tijd: ik-vorm
- 3De hij-vorm (stam + t)Stam + t in de tegenwoordige tijd: hij loopt, zij werkt.
- Tegenwoordige tijd: hij, zij, het
- 4De dt-regelWanneer schrijf je d, t of dt? Hij wordt, hij vindt.
- De dt-regel
- 5Jij achter het werkwoordInversie: loop jij (geen t) of word jij (stam op d).
- Jij achter het werkwoord
- 6Verleden en voltooid't Kofschip, het voltooid deelwoord met -t of -d, en de verwarring ertussen.
- Verleden tijd: 't kofschip
- Voltooid deelwoord: -t of -d
- Voltooid deelwoord of tegenwoordige tijd?
- 7Verleden tijd: 't kofschipZwakke werkwoorden in de verleden tijd: werkte of fietste.
- Verleden tijd: 't kofschip
- 8Voltooid deelwoord (zwak)Eindigt het voltooid deelwoord op een d of een t? Gewerkt, gefietst.
- Voltooid deelwoord: -t of -d
- 9Sterke werkwoordenDe onregelmatige werkwoorden in verleden tijd en voltooid deelwoord.
- Sterke werkwoorden: verleden tijd
- Sterke werkwoorden: voltooid deelwoord
- 10Sterke werkwoorden: verleden tijdKlankveranderende werkwoorden: liep, zwom, zong.
- Sterke werkwoorden: verleden tijd
- 11Sterke werkwoorden: voltooid deelwoordVoltooid deelwoord met -en: gelopen, gezwommen, gezongen.
- Sterke werkwoorden: voltooid deelwoord
- 12Alle werkwoordregelsVan de ik-vorm tot de sterke werkwoorden.
- Tegenwoordige tijd: ik-vorm
- Tegenwoordige tijd: hij, zij, het
- De dt-regel
- Jij achter het werkwoord
- Verleden tijd: 't kofschip
- Voltooid deelwoord: -t of -d
- Voltooid deelwoord of tegenwoordige tijd?
- Sterke werkwoorden: verleden tijd
- Sterke werkwoorden: voltooid deelwoord
- De gebiedende wijs
- Het tegenwoordig deelwoord
- Bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord
- +1
- 13De gebiedende wijsBevelen en aansporingen: altijd alleen de stam (word lid, loop door).
- De gebiedende wijs
- 14Het tegenwoordig deelwoordIets gebeurt tegelijk: het hele werkwoord met een d erachter (lachend, zingend).
- Het tegenwoordig deelwoord
- 15Bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoordZo kort mogelijk schrijven: de verbrande taart, het geverfde hek.
- Bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord
- 16Werkwoorden met be-, ge-, ver-Laat je niet foppen: in de tegenwoordige tijd gewoon stam + t (beantwoordt, gebeurt).
- Werkwoorden met be-, ge-, ver-
Alles
- 1Alle spellingVan kort-of-lang tot de sterke werkwoorden — alles door elkaar.
- Hak het woord in klanken
- Ng of nk?
- Aai, ooi of oei?
- Eer, oor of eur?
- Eeuw, ieuw of uw?
- Kalender- en tijdwoorden
- Eén of twee medeklinkers?
- Verkleinwoorden: -je, -tje of -pje
- Eindigt het op d of t?
- Eindigt het op b of p?
- Eindigt het op f of v, s of z?
- Achtervoegsel -ing
- +47
géographie
Geography
15 niveaux · 11 blocs · 215 faits
Provincies
- 1De provinciesDe twaalf provincies van Nederland, van Groningen tot Limburg.
- Provincies van Nederland
- 2Heel NederlandDe provincies, steden en wateren van Nederland door elkaar.
- Provincies van Nederland
- Steden van Nederland
- Wateren en eilanden van Nederland
Steden
- 1De grote stedenEenendertig steden van Nederland, met de Randstad als houvast.
- Steden van Nederland
Wateren & eilanden
- 1Wateren en eilandenDe Waddeneilanden, grote rivieren en meren van Nederland.
- Wateren en eilanden van Nederland
Landen
- 1De landen van EuropaZevenendertig landen, vanaf Nederland naar buiten toe.
- Landen van Europa
- 2Heel EuropaDe landen van Europa, hoofdsteden en natuur.
- Landen van Europa
- Hoofdsteden van Europa
- Zeeën en gebergten van Europa
Hoofdsteden
- 1De hoofdstedenBij elk land van Europa de stad waar het bestuurd wordt.
- Hoofdsteden van Europa
Zeeën & gebergten
- 1Zeeën en gebergten EUDe grote zeeën, rivieren en bergketens van Europa.
- Zeeën en gebergten van Europa
Werelddelen & oceanen
- 1De werelddelenZes vlakken die de hele wereld verdelen, van Afrika tot Oceanië.
- De werelddelen
- 2De oceanenHet water tussen de werelddelen: vijf oceanen om aan te wijzen.
- De oceanen
- 3Werelddelen en oceanenDe grote vlakken van de wereld, land en water door elkaar.
- De werelddelen
- De oceanen
Landen van de wereld
- 1Landen van de wereldVierendertig landen die je overal tegenkomt, van Canada tot Japan.
- Landen van de wereld
Gebergten & rivieren
- 1Gebergten en rivierenDe grootste gebergten, woestijnen en rivieren van de aarde.
- Gebergten en rivieren van de wereld
Wereldsteden
- 1Grote wereldstedenVeertien wereldsteden, van New York tot Tokio en Sydney.
- Grote steden van de wereld
Alles
- 1Alle kaartenVan de provincies van Nederland tot de landen van de wereld.
- Provincies van Nederland
- Steden van Nederland
- Wateren en eilanden van Nederland
- Landen van Europa
- Hoofdsteden van Europa
- Zeeën en gebergten van Europa
- De werelddelen
- De oceanen
- Landen van de wereld
- Gebergten en rivieren van de wereld
- Grote steden van de wereld
grammaire
Grammar
68 niveaux · 53 blocs · 464 faits
Woordenschat
- 1Woordenschat: groep 3Woorden uit de Woordenlijst Amsterdamse Kinderen (WAK) voor groep 3.
- Woordenschat: groep 3
- 2Woordenschat: groep 4Woorden uit de Woordenlijst Amsterdamse Kinderen (WAK) voor groep 4.
- Woordenschat: groep 4
- 3Woordenschat: groep 5Woorden uit de Woordenlijst Amsterdamse Kinderen (WAK) voor groep 5.
- Woordenschat: groep 5
- 4Woordenschat: groep 6Woorden uit de Woordenlijst Amsterdamse Kinderen (WAK) voor groep 6.
- Woordenschat: groep 6
- 5Woordenschat: groep 7Woorden uit de Woordenlijst Amsterdamse Kinderen (WAK) voor groep 7.
- Woordenschat: groep 7
- 6Woordenschat: groep 8Woorden uit de Woordenlijst Amsterdamse Kinderen (WAK) voor groep 8.
- Woordenschat: groep 8
Woordsoorten
- 1Lidwoord en naamwoordDe drie woordsoorten waarmee elke zin begint: de, het, een — en waar ze bij horen.
- Het lidwoord
- Het zelfstandig naamwoord
- Het bijvoeglijk naamwoord
- 2Het lidwoordDe, het of een aanwijzen in de zin.
- Het lidwoord
- 3Het zelfstandig naamwoordMensen, dieren, dingen en planten waar je de, het of een voor kunt zetten.
- Het zelfstandig naamwoord
- 4Het bijvoeglijk naamwoordWoorden die vertellen hoe iets is (mooi, groot, snel).
- Het bijvoeglijk naamwoord
- 5Samengestelde woordenTwee losse woorden die samen één nieuw woord vormen.
- Samengestelde woorden
- 6Werkwoord en voorzetselWat er gebeurt, waar het gebeurt, en de woordjes die een naam vervangen.
- Het werkwoord
- Het voorzetsel
- Het persoonlijk voornaamwoord
- Het telwoord
- 7Het werkwoordDoewoorden: wat iemand doet of wat er gebeurt.
- Het werkwoord
- 8Het voorzetselKastwoorden: voor, achter, op, in, onder de kast.
- Het voorzetsel
- 9De drie voornaamwoordenWie doet het (ik, hij), van wie is het (mijn, hun), en welke bedoel je (deze, die)?
- Het persoonlijk voornaamwoord
- Het bezittelijk voornaamwoord
- Het aanwijzend voornaamwoord
- 10Persoonlijk voornaamwoordVervangt een persoon of ding: ik, jij, hij, wij, zij, het.
- Het persoonlijk voornaamwoord
- 11Bezittelijk voornaamwoordGeeft aan van wie iets is: mijn, jouw, zijn, haar, ons, hun.
- Het bezittelijk voornaamwoord
- 12Aanwijzend voornaamwoordWijst iets aan: deze, die, dit, dat.
- Het aanwijzend voornaamwoord
- 13Het telwoordAantallen en rangnummers: drie, twintig, eerste, laatste.
- Het telwoord
- 14Bijwoord en tussenwerpselHet woord dat bij het werkwoord hoort, en het woord dat er los bij staat.
- Het bijwoord
- Het tussenwerpsel
- 15Het bijwoordVertelt iets over een werkwoord of ander woord: gisteren, heel, erg.
- Het bijwoord
- 16Het tussenwerpselUitroepen en kreetjes: au, hoera, foei, oei, hé.
- Het tussenwerpsel
- 17Alle woordsoorten door elkaarAlle elf woordsoorten door elkaar in één oefenreeks.
- Het lidwoord
- Het zelfstandig naamwoord
- Het bijvoeglijk naamwoord
- Het werkwoord
- Het voorzetsel
- Het persoonlijk voornaamwoord
- Het bezittelijk voornaamwoord
- Het aanwijzend voornaamwoord
- Het telwoord
- Het bijwoord
- Het tussenwerpsel
- 18Elk woord benoemenEen hele zin, en onder elk woord zijn soort — zoals op de naslagkaart.
- Elk woord benoemen
- 19Stoffelijk bijvoeglijk naamwoordWaarvan is het gemaakt: houten, gouden, wollen, zilveren.
- Het stoffelijk bijvoeglijk naamwoord
- 20Trappen van vergelijkingGroot, groter, grootst: stellende, vergrotende en overtreffende trap.
- De trappen van vergelijking
- 21Wederkerend voornaamwoordHet woordje dat terugwijst naar het onderwerp: me, je, zich, ons.
- Het wederkerend voornaamwoord
Werkwoorden in de zin
- 1De persoonsvormDe vraagproef, het hele gezegde, en het werkwoord dat in tweeën breekt.
- De persoonsvorm
- Alle werkwoorden samen
- Het werkwoord in tweeën
- 2Alleen de persoonsvormDe persoonsvorm vinden via de vraagproef of tijdproef.
- De persoonsvorm
- 3Werkwoordelijk gezegdeAlle werkwoorden in de zin die samen het werkwoordelijk gezegde vormen.
- Alle werkwoorden samen
- 4Scheidbare werkwoordenWerkwoorden die in tweeën splitsen in de zin: belt ... op, wast ... af.
- Het werkwoord in tweeën
- 5Het hulpwerkwoordHet werkwoord dat helpt de tijd of het gezegde te vormen.
- Het hulpwerkwoord
Zinsdelen
- 1Onderwerp en gezegdeWie of wat doet het? De eerste vraag die je aan elke zin stelt.
- Het onderwerp
- 2Alleen het onderwerpWie of wat doet het? Het onderwerp in de zin aanwijzen.
- Het onderwerp
- 3Lijdend en meewerkend voorwerpWat gebeurt er, en aan wie? De twee voorwerpen in een zin.
- Het lijdend voorwerp
- Het meewerkend voorwerp
- 4Het lijdend voorwerpWie of wat + gezegde + onderwerp? Het lijdend voorwerp vinden.
- Het lijdend voorwerp
- 5Het meewerkend voorwerpAan wie of voor wie? Het meewerkend voorwerp vinden.
- Het meewerkend voorwerp
- 6Bepalingen van tijd en plaatsWanneer gebeurt het, en waar?
- De bepaling van tijd
- De bepaling van plaats
- 7Bepaling van tijdWanneer gebeurt het? De bijwoordelijke bepaling van tijd.
- De bepaling van tijd
- 8Bepaling van plaatsWaar gebeurt het? De bijwoordelijke bepaling van plaats.
- De bepaling van plaats
- 9Het naamwoordelijk gezegdeKoppelwerkwoorden en het deel dat een toestand of eigenschap noemt.
- Naamwoordelijk gezegde
- 10Alle zinsdelen door elkaarPersoonsvorm, onderwerp, gezegde, lijdend en meewerkend voorwerp en bepalingen.
- De persoonsvorm
- Alle werkwoorden samen
- Het onderwerp
- Het lijdend voorwerp
- Het meewerkend voorwerp
- De bepaling van tijd
- De bepaling van plaats
- Naamwoordelijk gezegde
- 11De hele zin ontledenOnder elk zinsdeel zijn naam: pv, ow, lv, mv en de bepalingen.
- Elk zinsdeel benoemen
- 12De lijdende vormHet onderwerp ondergaat de handeling in plaats van zelf te handelen.
- De lijdende vorm
Samengestelde zinnen
- 1Twee zinnen aan elkaarHet voegwoord dat twee stukken zin verbindt: en, maar, want, omdat.
- Het voegwoord
- 2Hoofdzin en bijzinIn de bijzin staat de persoonsvorm helemaal achteraan.
- De bijzin
- 3SamentrekkingGelijke woorden niet dubbel noemen in een samengestelde zin.
- Samentrekking
Hoofdletters
- 1HoofdlettersWelk woord is een naam? Van mensen en landen tot winkels en achternamen.
- De hoofdletter
- Hoofdletters bij gebouwen en bedrijven
- Hoofdletters bij achternamen
- 2Hoofdletter aan het beginElke zin begint met een hoofdletter.
- De hoofdletter
- 3Hoofdletters bij namenNamen van mensen, steden, landen en feestdagen.
- Hoofdletters bij gebouwen en bedrijven
- 4Tussenvoegsels bij achternamenVan, de, der: met of zonder voornaam.
- Hoofdletters bij achternamen
Leestekens
- 1Punt, vraagteken en kommaVertel je iets, vraag je iets of roep je iets? En waar houdt het ene stuk zin op?
- Het teken aan het eind
- De komma
- 2Punt, vraagteken en uitroeptekenHet juiste leesteken aan het einde van de zin.
- Het teken aan het eind
- 3De kommaWijs aan waar de komma moet staan in de zin.
- De komma
- 4Iemand laten sprekenDe dubbele punt, de aanhalingstekens en de haakjes: hoe je iemand citeert en iets extra toevoegt.
- De dubbele punt
- Aanhalingstekens
- Haakjes
- 5De dubbele puntWijs aan waar de dubbele punt hoort.
- De dubbele punt
- 6AanhalingstekensAanwijzen waar een citaat begint en eindigt.
- Aanhalingstekens
- 7HaakjesWijs aan waar haakjes horen voor een extra toelichting.
- Haakjes
- 8De directe redeDe letterlijke woorden van iemand tussen aanhalingstekens.
- De directe rede
Goed gezegd
- 1Die of dat, als of danDe drie die volwassenen ook fout doen: die/dat, als/dan, hun/hen.
- Die of dat?
- Als of dan?
- Hun, hen of zij?
- 2Die of datVerwijzen naar de-woorden en het-woorden.
- Die of dat?
- 3Als of danGroter dan, even groot als: vergelijken zonder fouten.
- Als of dan?
- 4Hun, hen of zijZij als onderwerp, hen na een voorzetsel, hun bezittelijk.
- Hun, hen of zij?
- 5Spreekwoorden en gezegdenDe vaste kernwoorden in bekende uitdrukkingen en gezegden.
- Spreekwoorden en gezegden
- 6Vaste voorzetselsVoorzetsels die vast bij een werkwoord horen: wachten op, houden van.
- Vaste voorzetsels bij werkwoorden
- 7Dubbelop en stijlfoutenOverbodige woorden weglaten: witte sneeuw, overnieuw.
- Dubbelop en stijlfouten
- 8Figuurlijk taalgebruikWoorden als beeld in plaats van letterlijk: door de mand vallen.
- Figuurlijk taalgebruik
Alles
- 1Alle taalVan het lidwoord tot de lijdende zin — alles door elkaar.
- Woordenschat: groep 3
- Woordenschat: groep 4
- Woordenschat: groep 5
- Woordenschat: groep 6
- Woordenschat: groep 7
- Woordenschat: groep 8
- Het lidwoord
- Het zelfstandig naamwoord
- Samengestelde woorden
- Het bijvoeglijk naamwoord
- Het werkwoord
- Het voorzetsel
- +41
dactylographie
Typing
12 niveaux · 23 blocs · 130 faits
De thuisrij
- 1De bultjesf, j en de spatie, en daarna d en k. Waar je handen liggen.
- f en j — de bultjes
- d en k — naast het bultje
- 2De hele thuisrijAlle acht de toetsen waar je vingers op rusten, plus g en h.
- f en j — de bultjes
- d en k — naast het bultje
- s en l — je ringvingers
- a en ; — je pinken
- g en h — naar binnen reiken
- De thuisrij door elkaar
De bovenrij
- 1Naar boven reikene, i, r, u, t en y — één rij omhoog en telkens weer terug.
- e en i — één rij omhoog
- r en u — boven het bultje
- t en y — de verste reik
- 2De hele bovenrijMet w, o, q en p erbij ken je de tien toetsen van de bovenrij.
- e en i — één rij omhoog
- r en u — boven het bultje
- t en y — de verste reik
- w en o — ringvingers omhoog
- q en p — de hoeken bovenin
- Thuisrij en bovenrij door elkaar
De onderrij
- 1Naar beneden reikenv, m, b en n — de vier onderste toetsen van je wijsvingers.
- v en m — één rij omlaag
- b en n — naar binnen en omlaag
- 2De hele onderrijMet c, x en z erbij ken je alle zesentwintig letters.
- v en m — één rij omlaag
- b en n — naar binnen en omlaag
- c en , — middelvingers omlaag
- x en . — ringvingers omlaag
- z en / — de hoeken onderin
- Alle letters door elkaar
Hoofdletters
- 1Shift met je andere handEen hoofdletter maken zonder je handen van de thuisrij te halen.
- Hoofdletters
Leestekens
- 1Vraagteken en apostrofDe tekens waar je pink voor naar buiten reikt.
- Leestekens
Cijfers
- 1De cijferrijTwee rijen omhoog, elke vinger in zijn eigen kolom.
- De cijferrij
Woorden
- 1Langere woordenHele woorden in één beweging, niet meer letter voor letter.
- Langere woorden
Zinnen
- 1Zinnen typenDoortypen over de spatie heen, met hoofdletter en punt.
- Zinnen typen
Alles
- 1Blind typenAlles door elkaar: letters, tekens, cijfers, woorden en zinnen.
- f en j — de bultjes
- d en k — naast het bultje
- s en l — je ringvingers
- a en ; — je pinken
- g en h — naar binnen reiken
- De thuisrij door elkaar
- e en i — één rij omhoog
- r en u — boven het bultje
- t en y — de verste reik
- w en o — ringvingers omhoog
- q en p — de hoeken bovenin
- Thuisrij en bovenrij door elkaar
- +11
sécurité routière
Traffic
9 niveaux · 27 blocs · 134 faits
Kruispunt zonder borden
- 1Wie gaat er voor?Rechts gaat voor, rechtdoor gaat voor afslaan, en een kleine bocht voor een grote.
- Rechts gaat voor
- Rechtdoor gaat voor
- Kleine en grote bocht
- Zandweg, uitrit en erf
- Drie op een kruispunt
Borden en haaientanden
- 1Voorrang met bordenHaaientanden, het stopbord en de voorrangsweg.
- Haaientanden
- Het stopbord
- De voorrangsweg
Lichten, rotonde en voorrangsvoertuigen
- 1Lichten, zwaailicht en rotondeHet licht, de sirene, de rotonde, de tram en de trein.
- Verkeerslichten
- Zwaailicht en sirene
- De rotonde
- De overweg
- De tram
Voetgangers en de bus
- 1Lopen en overstekenHet zebrapad, oversteken bij een zijstraat en de bus bij de halte.
- Het zebrapad
- Oversteken als voetganger
- De bus bij de halte
Soorten borden
- 1Welk bord is het?Verbod, gebod, waarschuwing, voorrang of informatie: herken het aan vorm en kleur.
- Soorten borden
Wat het bord zegt
- 1Wat zegt het bord?Wie mag erin, waar moet je rijden, en wat staat er op de weg.
- Tekens op de weg
- Verbodsborden
- Gebodsborden
Je plek op de weg
- 1Je plek op de wegVoorsorteren, het woonerf, de dode hoek en de snelweg.
- Voorsorteren
- Het woonerf
- De dode hoek
- De snelweg
Veilig fietsen
- 1Veilig fietsenLicht, slecht weer en samen fietsen.
- Zien en gezien worden
- Slecht weer
- Samen fietsen
Chaque étape ci-dessus est un vrai point de départ dans l’application. Votre enfant en choisit une, ou un court test de positionnement trouve la bonne hauteur.